In gesprek met Cees van Aalst, architect, stedenbouwkundige, ambtenaar, Boschlogiedocent en stadsbewoner.

‘Ik was altijd al allergisch voor uniforme massabouw.  Zo’n enorm KPN-gebouw had nooit aan de Prins Bernardstraat mogen komen. Veel te grootschalig,  haast  ‘onmenselijk’ en het levert geen enkele bijdrage aan het stedelijk leven in de binnenstad. Waarom zou je er naar binnen gaan? Geen winkel, geen informatiebalie, niets voor de mensen. Dan is zo’n gebouw al gauw een stoorzender. Bovendien, het is inmiddels ook door alle aan- en verbouwingen eigenlijk niet meer om aan te zien, maar daar komt hopelijk binnenkort een einde aan.’

Aan het woord is Cees van Aalst. Hij woont in de Sint-Jorisstraat in de binnenstad van ’s-Hertogenbosch en kijkt vanuit zijn tuin uit op het KPN-gebouw. ‘Ik woon er al vanaf eind 1975. Mijn huis was onderdeel van het restauratieproject ‘De Twaalf Apostelen ca’, een opknappertje van jewelste. De Sint-Jorisstraat was sterk verwaarloosd en sloop van een hele gevelwand ter vergroting van het achterliggend parkeerterrein was maar ternauwernood voorkomen. Het werd een van mijn eerste  opdrachten in dienst van de gemeente ’s-Hertogenbosch waar ik midden 1974 formeel ‘architect binnenstad’ was geworden. ’

Cees begint zijn ambtelijke loopbaan als restauratie-architect en wordt al na drie jaar gepromoveerd tot hoofd van de afdeling binnenstad. Hij verbreedt zich al snel tot stedenbouwer en eindigt zijn loopbaan in 2011 als stedenbouwkundig strateeg. Zijn geest en ideeën zullen mogelijk nog eeuwen rondwaren in en rond de stad.

 

Twaalf Apostelen in verwaarloosde staat, het eerste restauratieproject van Van den Bouwhuijsen. Daarnaast, het huidige woonhuis van Cees van Aalst als opknappertje

 

Geen ambtenaar

Als Cees midden 1974 bij de gemeente gaat werken is de gemeentelijke aanpak van de binnenstad radicaal veranderd. De ambities van de jaren ’60, ‘cityvorming’, modernisering, sanering en ruim baan voor de auto, maken plaats voor aandacht voor de oude, historische binnenstad. Cees komt zo op een juist moment naar ’s-Hertogenbosch. Als jongeling staat hij al op de barricades als sloop en sanering dreigen zoals van de oude binnenstad van Breda. Nu zegt Cees: ‘Hoe konden de naoorlogse architecten en stedenbouwers dat bedenken?’ Komend uit een middenstandsmilieu is hij er in die tijd van overtuigd: ‘Ik word geen ambtenaar!’ Maar hij solliciteert toch op de baan omdat hij verliefd raakt op het oude Den Bosch.

 

Ambachtelijk werk

‘Ik heb al als kind veel getekend, vooral huizen en oude gebouwen.  Zo beschouwd is het niet vreemd dat ik al vroeg  architect wilde worden’, vertelt Cees. Vader is zakenman in hart en nieren en runt samen met zijn broer een speciaalzaak in oosterse tapijten en antiek in de binnenstad van Breda. Samen vertegenwoordigen zij de vierde generatie Bredase ondernemers van de familie Van Aalst. Opa Van Aalst ontwierp meubels en interieurs en bestierde een vooraanstaande interieurzaak. Hij had vóór de oorlog zo’n dertig meubelmakers in dienst. Vader heeft moeite met moderne meubels van glas en staal die industrieel worden gemaakt. ‘Meubels maken is een ambacht. Het moet mensenwerk zijn.’

De Parade wordt autovrij. Ergens aan het einde van de jaren ’70 spreekt het College van B & W voor het eerst de ambitie uit dat openluchtparkeergarage de Parade autovrij moet worden. Het zal in 2006 gerealiseerd worden. 

 

Historische stedentrips

‘Echt ver op vakantie gingen we niet in mijn jeugd. Maar het was vaste prik dat ik regelmatig met pa “historische stedentrips” ging maken in Nederland en België.’ Als Cees later zelf zijn vakanties kan regelen zijn bezoeken aan historische sites de rode draad van het vakantierooster. Met een glimlach zegt Cees erbij: ‘En altijd stadjes bezoeken vonden de kinderen niet altijd leuk. Ik kreeg dan ook wel te horen: “Je bent altijd met je werk bezig.”

‘Mijn werkzame leven is doordrenkt van de zorg voor het historisch erfgoed. Met het bezoeken en bestuderen van historische steden en  dorpen, kastelen, kloosters en kerken, maar ook van  historische landschapsontginningen ben ik al mijn hele leven bezig.’

Vakantieschets van Cees uit 1979

Ideeënman

In 1985 wordt Cees hoofd Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw bij Stadsontwikkeling. Als 40-jarige weet Cees inmiddels waar hij goed en is en waarin niet. ‘Ik ben een ideeënman en plannenmaker, geen manager die vooral moet letten op financiën, organisatie en personeelsbeleid. Ik weet mensen vaak te overtuigen van mijn ideeën ook al ga ik daarbij misschien wel te vlot over van detail naar grote lijnen en omgekeerd. Ik  ben bepaald geen “mensenmens”. Ik ben vooral een man van de inhoud, heel gedreven, soms te, ik weet het. Kom niet zomaar aan mijn plan, idee of visie en probeer niet ongemotiveerd in te grijpen.’

 

Opvoeder

Cees lijkt wel de verpersoonlijking van de veranderde aanpak van Bossche stadsontwikkeling na de  jaren ‘60. Samen met bevriende collega’s stelt hij in de avonduren het Structuurplan Binnenstad 1980 op. Hierbij staat voorop: de vitaliteit van de historische binnenstad herstellen en beschermen. De historische kwaliteit van de stad wordt sindsdien gekoesterd. Een aannemer of bouwer die in beeld wilde blijven bij de gemeente ’s-Hertogenbosch  deed er goed aan hierin mee te gaan.

Martien van den Bouwhuijsen zegt hierover: ‘Cees heeft ons wel “opgevoed”. In 1975 voltooiden we ons eerste restauratieproject, de Twaalf Apostelen in opdracht van de gemeente. Vanaf dat moment wisten we: alleen maar betonbouw kan het niet blijven.’

 

Door Cees van Aalst gemaakte schetsen van de Vughterstroom en omgeving

 

Cees van Aalst, tweede van links, op de Binnendieze op inspectie met als grote vraag: hoe stellen we een gerestaureerde Binnendieze open voor vaartochten?  

 

Stadsvleugels

In 2003 verschijnt de Ruimtelijke Structuurvisie ‘Stad tussen stromen’. Cees heeft een belangrijk aandeel in de ontwikkeling van het ruimtelijk concept van deze visie. ’s-Hertogenbosch moet uitgroeien tot “vleugelstad”. Stadsuitbreidingen zijn zo stedelijke “vleugels” die zijn aangehaakt aan de binnenstad. Het buitengebied kan zo met waterlopen en oude dijken via de stadsuitbreidingen door de stad binnendringen. De Bosschenaar woont zo steeds dichtbij de natuur’.

Cees voegt eraan toe: ‘Door de ruimtelijke geschiedenis van de stad te kennen leer je deze kenmerkende vormgeving ontdekken’. Blijf af van het Bossche Broek, de Heinis, de Moerputten of de Gement. Dat zijn belangrijke schakels tussen stad en landelijke omgeving. Je moet weet hebben van de geomorfologie van de ondergrond,  van de bodemgesteldheid van en rondom de stad. Water speelt daarbij een hoofdrol.’

 

Cees legt uit

 

Genius loci  

Cees zal het thema ‘vleugelstad’ niet meer loslaten, zeker niet als hij zijn cursisten tijdens de RAMBO-cursus (Boschlogie voor ambtenaren en raadsleden) met een busje langs kenmerkende plekken in de stad voert. ‘Ik neem u mee op een spannende reis door de tijd. Ik sta stil bij de bijzondere ligging van de stad, de ‘genius loci’. Deze plek, waar Dommel en Aa samenvloeien in de Dieze, blijkt zeer bepalend te zijn voor de uniek gevormde stadsplattegrond’.

Zo begint Cees zijn Boschlogieverhaal. ‘We stoppen regelmatig en ik laat zien waar bijvoorbeeld de waterlopen de natuurlijke stadsbegrenzing vormen. Ik zal vertellen over hoogteverschillen en deze laten zien’, verhaalt Cees. Zo ontrafelt hij het ‘Geheim van de unieke stadsplattegrond’.

Stad en water

‘Cees is de man die kennis heeft van de combinatie “stad en water”. Als het over water gaat zullen we het zonder hem  niet droog houden’, houdt Geert Snijders, wethouder ruimtelijke ordening, grondbedrijf en sociale zaken en werkgelegenheid tussen 2006 en 2010 zijn gehoor voor tijdens het afscheid van Cees op 8 december 2011. Voor hem is het duidelijk: ‘Water heeft de vorm van de stad gemaakt. Er is ook een heel bijzondere relatie met het watervervoer ontstaan’.

Cees gaat niet over één nacht ijs en hecht aan kennis van de geschiedenis en aan historisch bewustzijn. ‘De ruimtelijke karakteristiek van de stad hangt natuurlijk samen met de wortels daarvan. Wie de stad vandaag wil ontwikkelen moet weet hebben van de ruimtelijke en geografische geschiedenis van de stad. Dan doorzie je het wezenlijke van de stad’.

 

Maquette  

Wie de geschiedenis serieus neemt, organiseert ook het collectief geheugen in een organisatie. ‘Dan kun je leren van fouten. Hou je archief op peil. Zorg dat er historische deskundigheid in je organisatie is,’ houdt Cees voor. Het is geen vrijblijvend advies. Na zijn pensioen is Cees voorzitter van de Stichting Historische Stadsmaquette, opgericht door een kleine groep enthousiastelingen. Maar liefst 900 tekeningen worden voor de kunstenaar van de maquette gemaakt door de afdeling Erfgoed op basis van een door de bouwhistorici opgesteld 3D-beeld van de stad in het jaar 1550. Het resultaat is een in brons gegoten nieuwe historisch reliek op het Kerkplein.

‘Een burgerinitiatief dat alles zelf uitvoert, zonder te vragen om geld maar enkel om medewerking, ‘stelt wethouder Huib van Olden tevreden vast bij de onthulling op 9 oktober 2016. Martien van den Bouwhuijsen is er als sponsor ook bij. Tegen een collega-aannemer zegt Martien met een glimlach: ‘Die Cees, hij heeft jou dus ook kunnen strikken.’ Zijn collega antwoordt: ‘Ja, hij zei mij dat jij ook mee zou doen. Dan kan ik niet achterblijven.’ Martien antwoordt: ‘Tegen mij zei hij hetzelfde over jou.’

 

De stadsmaquette op het Kerkplein