Op 15 maart 1989 kondigt De Telegraaf een bijzonder restauratieproject aan: ‘De Hof van Zevenbergen, een laat-middeleeuws stadspaleis aan de Keizerstraat in ‘s-Hertogenbosch, wordt gerestaureerd. Vijf aannemersbedrijven uit ‘s-Hertogenbosch en omgeving zullen het plan uitvoeren.’

De restauratie van het monument zal tenminste vijf miljoen gulden kosten. En… misschien wordt het wel heel veel meer. Alle aannemers mogen dan ervaring hebben met bouwen in ’s-Hertogenbosch, ze zijn beducht voor de financieel risico’s. Want, zal het wel bij die vijf miljoen blijven? Zullen ze niet op volkomen onverwachte gebreken of hindernissen stuiten? Geen van de aannemers durft alleen of zelfstandig een aanbiedingsprijs neer te leggen. Die zou wel eens veel te laag kunnen zijn.

De oplossing is: een bouwcombinatie van vijf aannemersbedrijven:  Nico de Bont, de Bonth van Hulten, De Wit in Schijndel, Drijvers in ’s-Hertogenbosch en Van den Bouwhuijsen. Harrie van den Bouwhuijsen ontpopt zich tot woordvoerder van het project.

In de geschiedenis van Van den Bouwhuijsen is de restauratie van de Hof van Zevenbergen ongetwijfeld een van de meest bijzondere projecten. In de geschiedenis van de stad ’s-Hertogenbosch niet minder. Immers, de Hof van Zevenbergen is gebouwd in de late Middeleeuwen, voor ’s-Hertogenbosch de Bourgondische tijd. Er is in de stad geen woonhuis meer dat uit deze tijd stamt. Daarom een verhaal in twee delen. Het eerste deel handelt over de geschiedenis van het gebouw, het tweede deel gaat in  op het restauratieproces zelf.

 

Van Bourgondisch stadspaleis tot doorgangshuis 

 ‘ het  jaar (1515) quam die jonge prinche, hartoch Karel ten Bosch ende hij werdt seer feestelijck ingehaelt van den geestelicken staet ende hij logeert bij Cornelis van Sevenberghen’s huys bij Sint-Joris Capel.’

Aldus schrijft de Bossche kroniekschrijver Cuperinus  (1500-1560)  in een van zijn kronieken:

Op donderdag 12  juli 1515 is het feest in ’s-Hertogenbosch. De Bossche poorters begroeten de nieuwe heer der Nederlanden: Karel van Habsburg, later Karel V. Hij wordt vergezeld door zijn tante, Margareta van Oostenrijk en zijn leermeester, Adrianus Florisz. Boeyens, tussen 1522 en 1523 de enige Nederlandse Paus onder de naam Adrianus VI.

De Bosschenaren zien de nieuwe 15-jarige vorst met zijn illuster gezelschap graag komen. Iedereen die zich belangrijk voelt loopt feestelijk uitgedost mee in een grote stoet. Het wordt een ‘blijde incomste’. Voorop gaan de stadsregering en  geestelijkheid. De tocht begint bij de stadspoort en eindigt bij de logeerplaats van de vorst, de Hof van Zevenbergen.

De Hof van Zevenbergen is niet zomaar een huis maar een waar stadspaleis. De eigenaar is Maximiliaan de Glymes, zoon van de in 1509 overleden Cornelius de Glymes (1458-1509). Cornelis is stichter en bouwer van de Hof van Zevenbergen. Hij is getrouwd met Maria van Zevenbergen. Zij bezit de heerlijkheid Zevenbergen. Cornelius broer, Jan III van Glymes (1452-1532), is zijn voorbeeld. Jan III bouwde in Bergen op Zoom het beroemde Markiezenhof.

Als een man van de statuur van Cornelius aan het einde van de vijftiende eeuw een groot stenen huis bouwt moet dit wel opvallen, te midden van de vele bescheiden houten panden. Het echtpaar organiseert in het pand grote hoffeesten. Dat gebeurt doorgaans alleen in een kasteel of paleis. De Bourgondische allure van de arcade en grote tuin onderstrepen het voorname karakter van de Hof van Zevenbergen alleen maar.

Strijdbare Bourgondiër  

Bouwer Cornelius de Glymes is niet de eerste de beste. Hij voert als drossaard en gouverneur het bevel over Grave, een belangrijk steunpunt in de Habsburgse strijd om het hertogdom Gelre. Van 1490 tot 1491 is hij admiraal van de Nederlanden en in die functie betrokken bij het neerslaan van de Vlaamse Opstand tegen Maximiliaan. Cornelius is hofmeester, raad en maarschalk van roomskoning Maximiliaan en Philips de Schone. Hij wordt op 2 mei 1500 door Philips de Schone opgenomen in de Orde van het Gulden Vlies. Hij gaat ook weer voorop in de strijd van de Bourgondiërs tegen de Geldersen en helpt Philips de Schone in 1504 bij de voorbereidingen voor een aanval op Gelderland. Cornelius is een strijdbare en invloedrijke Bourgondiër.

Dubbel herenhuis

Zo ‘koninklijk’ oogt de Hof van Zevenbergen dat hierdoor de omgeving aan aanzien wint. In 1540 logeert Karel V weer in ’s-Hertogenbosch. Nu verblijft hij bij Hendrik van Deventer in een pand tegenover de Hof van Zevenbergen, het Keizershof. De straat krijgt zelfs de naam Keizerstraat. De oude glorie van de Hof van Zevenbergen is dan al tanende.

De nazaten van Cornelius verkopen het stadspaleis in 1561 en het komt zo in het bezit van nieuwe eigenaren. Die hebben weinig oog voor de oorspronkelijke allure en verbouwen naar hun eigen zinnen.  In 1693 koopt de succesvolle glasfabrikrant Willem van Bree (1614-1683)  een groot deel van het huis.  Van Bree laat het pand weer verbouwen, nu tot een groot dubbel herenhuis.

Roomsch Arm-Weeshuis

Zijn kleinkinderen verkopen het pand voor 10.000 gulden aan de oprichters van het Roomsch Arm-weeshuis. Ze handelen zo in de geest van hun overleden vader, Willem van Bree. Hem was het al een doorn in het oog dat er in het katholieke ’s-Hertogenbosch alleen een protestants weeshuis was. Maar..  van het Bourgondisch stadspaleis blijft steeds minder over. Weer wordt  er verbouwd. Dat gebeurt nog vaker. De herinnering aan wat eens ‘Het mooie balcon boven den middeningang, dat met smeedwerk was opgesierd’, verdwijnt.

De aanpassingen volgen elkaar op. ‘De wijdsche inrijpoort, die eronder lag. werd vervangen door een tweetal smalle deuren met een venster er tusschen.  Het is moeilijk in dit grauw huis de eens zoo sierlijke ridderwoning te herkennen,’ schrijft  de Nieuwe Brabantsche Courant op 24 februari 1944.

 

 

‘Nooit meisjes gezien’

In de ochtend van 12 februari 1783 opent het weeshuis op feestelijke wijze de deuren voor negen weesjongens en zes weesmeisjes. Gekleed in een herkenbaar blauw kostuum lopen ze, twee aan twee, vergezeld door een weesvader en weesmoeder, langs het huis van een van de weldoeners in de Verwersstraat.

In januari 1992  blikt Christiaan Döll terug op zijn tijd in het weeshuis. In 1927 komt hij terecht in het Armenweeshuis. Zijn vader is overleden. Moeder kan de zorg van vijf kinderen niet alleen aan.

Christiaan zal tot 1943 in de voormalige Hof van Zevenbergen verblijven. Hij vertelt ‘De grote schrik van mijn vriendjes was de traptoren aan de achterzijde van het weeshuis. Daarin werd je dan opgesloten bij de sierduiven die de broeders hielden. ’s Nachts hoorde je het gekrijs van de kraaien op de vliering. In de muren stonden de namen gekrast van jongens die er opgesloten hadden gezeten. Ik heb er nooit gezeten. Ik kon goed leren en haalde nooit iets ondeugends uit’, vertelt Christiaan Döll.

Verbitterd is hij niet. Het regime was streng maar wat moesten de broeders anders?  ‘Ik heb er nooit meisjes gezien. Zelfs op de speelplaats konden wij door een scheidingsmuur met prikkeldraad geen meisjes zien’, vertelt Christiaan.

Onverschillig gebruik

In 1943 verhuist Christiaan met andere weesjongens naar het Sint-Jozefhuis aan de Graafseweg. De oude mannen, tot dan toe gehuisvest in het Sint-Jozefhuis verhuizen op hun beurt naar wat eens de Hof van Zevenbergen was. en weer wordt het pand aangepast met badkamers en centrale verwarming. Op 20 april 1944 nemen de oude mannen het pand in gebruik.
In de jaren hierop volgend werden regelmatig aanpassingen en verbouwingen uitgevoerd. Men bracht onder andere een goede afscheiding aan tussen de afdeling van de weesmeisjes en die van de bejaarden. Het gebouw was echter oud. In 1970 werd vastgesteld dat het Hof van Zevenbergen echt niet meer voldeed aan de eisen voor bejaardenzorg.

In 1970 komt het pand leeg. De ‘oude mannen’ verhuizen naar Huize Sint Joris. De gemeente wordt eigenaar van het pand. Er is al een plan om het stadspaleis te restaureren, een van de weinige gebouwen uit de Bourgondische tijd.

De restauratie laat nog een aantal jaren op zich wachten. Voorlopig is het pand een doorgangshuis, eerst als opvangtehuis voor ongehuwde moeders, later huisvesting voor de Kunstuitleen en toevluchtsoord voor krakers. Het gebouw oogt verwaarloosd en wordt gebruikt door instellingen die geen besef hebben van de bouwhistorische waarde.



 

Bronnen/literatuur

Aalst, C van, Restauratie Hof van Zevenbergen, in Croix le duc, ’s-Hertogenbosch 1989

Drunen, A.H. van, De restauratie van het Hof van Zevenbergen te ’s-Hertogenbosch, in Heemschut jaargang. 66(1989)

Glaudemans, R., Het Hof van Zevenbergen te ‘s-Hertogenbosch : bouwhistorisch onderzoek en de restauratiepraktijk, Nieuwsbrief bouwhistorie, ’s-Hertogenbosch 1992

Hagemans, W, e.a. Bossche pracht : mijn huis-mijn monument, ’s-Hertogenbosch 2002-2003

Kappelhof, A.C.M. , Van adelijk huis tot onderdak voor hulpverleners, ’s-Hertogenbosch 1979  

Kappelhof, A.C.M., Een weeshuis dat niet doorging, In: ‘s-Hertogenbosch jaargang 1(1993), ’s-Hertogenbosch 1993

Koldeweij, A.M.,  Kunst uit de Bourgondische tijd te ’s-Hertogenbosch, de cultuur van late middeleeuwen en renaissanse , Den Haag 1990

Pirenne, L.P.L, Een adelijke hof te ‘s-Hertogenbosch : de Hof van Zevenbergen, Oud Nieuws jaargang 14,  ’s-Hertogenbosch 1994

Weve, W.F., Hof van Zevenbergen ’s-Hertogenbosch, uitgebreid bouwhistorisch onderzoek en studie, Delft 1983.

 

Fotografie

J.A.M Roelants (1900-1982)

Fotobureau het Zuiden

Felix Janssens (1938-2020)

Ruud Peijnenburg

 

De rechten van deze fotografie berusten bij Erfgoed ’s-Hertogenbosch